Menu tonen/verbergen
Voorkeurenmenu omschakelen
Persoonlijk menu tonen/verbergen
Niet aangemeld
Uw IP-adres wordt openbaar zichtbaar als u wijzigingen aanbrengt.

Aleer enig mens over aarde liep, aleer Zon in de hemel scheen, was er de Walvis. Niks was er wat de Walvis bezat, en er was voor Haar geen begeerte. Toen kwam op een dag de haai tot Haar. De haai was klein en teer, nog geen sneeuwvlok in de toendra van Haar grootsheid. Toch was zijn hart groot en vol avontuurlijk oogmerk. Hij benaderde Haar alsof zijn nietigheis in Haar majesteit loos was, en hij daagde Haar uit. De Walvis kon het niet onzinniger zijn en ontdeed hem in één klap.

Eén dag later weerkeerde de haai, en zijn verlies was hem niet zonder waarde geweest. Hij was groter in postuur, en meer gevorderd in kunnen. Opnieuw daagde hij de Walvis uit, maar nog eens overwon Ze zonder moeite. Een tijd ging dit zo door. Elke dag vond een duel plaats, en elke dag groeide de haai van zijn verlies. Talloze dagen waren verstreken sinds de eerste ontmoeting, en de Haai was nu van achtenswaardige omvang. Hij benaderde de Walvis en daagde Haar uit. Er volgde een duel tussen gelijken, een storm door de toendra en de woestijn, en aan het einde belaagde het zand de sneeuw. De Walvis sprak: "Je hebt me overmeesterd, beste Haai, en ik geloof dat wij elkaar waardig zijn geweest. Ik zal voor Je een wereld maken; ik zal een wereld maken om te zwemmen, om te lopen, en om te vliegen; en die wereld zal het Jouwe zijn om in te leven."