De Poliepgaard
Thea was een oudere vrouw die in een klein houten huisje aan de rand van het Tondelwoud woonde. Ze had niet veel tot bezit, maar ze had al wat haar dierbaar was. Het meest waardevolle van dat wat haar huis deelde was Filip. Filip was een jonge kater met vacht als grafiet. Als jong heeft Thea hem diep in het woud horen zingen, en hem visjes uit het Meer gebracht. Voort aan die dag is Thea's stee hem vaak tot herberg geweest. Achtmaal per maan trad het koppel door het woud naar het Meer aan de andere kant. Evenzoveel middagen visten ze daar baars en spiering. Het was de voorlaatste dag eer de nieuwe maan dat Thea en Filip hun achtste tocht zouden maken. In haar reisbaal nam Thea brood en drinkwater en hengel en touw, en floot zodoende een lied.
Een half dagdeel duurde de tocht, en het vissen een hele. Gaandeweg de dag verouderde ving Thea snoek en een zander, en Filip een spiering. Halverwege middag en zonsondergang werd het uur te laat voor vissen, en waagde het paar de wedertocht. Zo hoopten zij eer duister onthaal hun schutting te bereiken. Achtmaal per maand betrad Thea hetzelfde pad, maar voor het eerst nu in jaren had zij niet helder meer welke dit precies geweest was. Eén pad verliet het Meer tussen een es en een eik; twee andere lagen buur - één breed, één eng - en een vierde had haar oog nog niet eerder gevangen. Een stem in haar hoofd die zij Filip geloofde vertelde haar het nauwe pad te nemen, en nemen deed zij dat pad...
Met de zon ver langs diens zenit was het woud gehuld in een gulden gloed, en ook al waren de bomen gekleurd met 's zons kwast, ook de verjaarde kijkers van Thea stellen al snel vast de voeten naar vreemd land te hebben geleid. Behalve goud kleurt terstond in de bomen ook blauw en in de verte gloort het bladerdek met een luister purper. Filips staart hing tussen zijn poten en hij jammerde angstig, en hoewel Thea plachtte Filips raad te volgen bleef zij zonder angst doorhobbelen. Ook zijzelf kon niet onderscheiden of het door de bovennatuurlijke schoonheid van het schouwspel voor haar was, of door de lokroep van die natuur die haar geweten overtoepte. Lopen deed zij tot bij het aanzicht van een vorm in de verte. Bij verder naderen aanschouwde zij twee figuren van gelijke snit; midden op het pad stonden zij ruggelings. Terwijl om haar heen vage vormen tussen de bomen in de lucht gloeiden, sprak de linker tot haar:
"Nee maar, niet waar, wat treffen wij daar? Een tweetal abuis wat ongewoon paar. Tig voorling van huis in verreweg laar. Vergeef mij de vraag, vergeef da'k't waag; ik hoor van U graag: wat brengt U vandaag?" Welgenoeg klonk de figuur; toch bleef diens wens zonder antwoord. Derhalve was het de tweede schim die sprak: "Excuus duizendmaal, excuus duizendmaal. Vergeef toch ons ziel dit kille onthaal. U ziet ietwat iel en niettemin vaal. Ontdoe rap Uw kiel, en sta af Uw baal." Toch kregen hun verzen van lof uit Thea geen spraak.
De maan stond sikkel die avond, en zo ook de lippen van de gestaltes, maar met het ondergaan van de zon trokken ook hun ogen tot een duisterdere toon. "O, zij het zó?" sprak de eerste weer. "Dan zij het zó." Plots voelde Thea een streling langs haar kuiten als van karige vingers ontsproten uit de grond. Dit deed haar zodanig schrikken dat zij zich terstond keerde, en terug snelde richting het Meer...
Het mocht niet baten. Alvorens Thea zich drie vadems had bewogen, ontkiemde voor haar een heuse kasteelmuur, gevlochten uit stekelige rozenbosjes die haar schreden halt toeriepen, en nog voordat de kolibri zijn wiekslag had kunnen maken waren haar enkels geketend in een net van kreupelhout. Het vijandige tweetal naderde rap. Filip vatte stout sissend en grommend post tussen haar en de belagers, maar de linkerfiguur hield zijn hand voor de snoet van de trouwe metgezel en liet hem bewusteloos vallen. De rechterfiguur griste Thea's baal op brute wijze en inspecteerde zijn buit. Zijn gezicht was verhuld in een donkermetalen helm, zag Thea nu, maar ook zonder zijn ogen te kunnen ontwaren merkte Thea zijn schrik in wat hij trof. Met luid gescheur trok hij de baal bij diens zomen aan flarden, waarmee Thea's visvangst ter aarde stortte. Hij sprak vertoornd: 'Hoe triest, hoe triest! Een crimineel zo driest... Kent u geen wroeging, gij snode, kwade vreem'ling? Gij zijt het, gij zijt het, mijn zicht bedriegt mij niet! De moordenaar, die reeds menig jaar ons overstelpt met verdriet! Het is mij nu een zeker ding, wij brengen u naar onze koning!' De geharnasde figuur omgorde Thea met een bronzen koord, en het schuurde en brandde aan haar leest. De figuur met de vreemde krachten nam Filip en de vissen in zijn armen, en zo werd het paar verder geleid, terwijl de nacht zich als deken over het bos spreidde.