Menu tonen/verbergen
Voorkeurenmenu omschakelen
Persoonlijk menu tonen/verbergen
Niet aangemeld
Uw IP-adres wordt openbaar zichtbaar als u wijzigingen aanbrengt.
Versie door Mipo (overleg | bijdragen) op 10 jul 2026 om 08:48

Thea was een oudere vrouw die in een klein houten huisje aan de rand van het Tondelwoud woonde. Ze had niet veel tot bezit, maar ze had al wat haar dierbaar was. Het meest waardevolle van dat wat haar huis deelde was Filip. Filip was een jonge kater met vacht als grafiet. Als jong heeft Thea hem diep in het woud horen zingen, en hem visjes uit het Meer gebracht. Voort aan die dag is Thea's stee hem vaak tot herberg geweest. Achtmaal per maan trad het koppel door het woud naar het Meer aan de andere kant. Evenzoveel middagen visten ze daar baars en spiering. Het was de voorlaatste dag eer de nieuwe maan dat Thea en Filip hun achtste tocht zouden maken. In haar reisbaal nam Thea brood en drinkwater en hengel en touw, en floot zodoende een lied.

Een half dagdeel duurde de tocht, en het vissen een hele. Gaandeweg de dag verouderde ving Thea snoek en een zander, en Filip een spiering. Halverwege middag en zonsondergang werd het uur te laat voor vissen, en waagde het paar de wedertocht. Zo hoopten zij eer duister onthaal hun schutting te bereiken. Achtmaal per maand betrad Thea hetzelfde pad, maar voor het eerst nu in jaren had zij niet helder meer welke dit precies geweest was. Eén pad verliet het Meer tussen een es en een eik; twee andere lagen buur - één breed, één eng - en een vierde had haar oog nog niet eerder gevangen. Een stem in haar hoofd die zij Filip geloofde vertelde haar het nauwe pad te nemen, en nemen deed zij dat pad...

Met de zon ver langs diens zenit was het woud gehuld in een gulden gloed, en ook al waren de bomen gekleurd met 's zons kwast, ook de verjaarde kijkers van Thea stellen al snel vast de voeten naar vreemd land te hebben geleid. Behalve goud kleurt terstond in de bomen ook blauw en in de verte gloort het bladerdek met een luister purper. Filips staart hing tussen zijn poten en hij jammerde angstig, en hoewel Thea plachtte Filips raad te volgen bleef zij zonder angst doorhobbelen. Ook zijzelf kon niet onderscheiden of het door de bovennatuurlijke schoonheid van het schouwspel voor haar was, of door de lokroep van die natuur die haar geweten overtoepte. Lopen deed zij tot bij het aanzicht van een vorm in de verte. Bij verder naderen aanschouwde zij twee figuren van gelijke snit; midden op het pad stonden zij ruggelings. Terwijl om haar heen vage vormen tussen de bomen in de lucht gloeiden, sprak de linker tot haar:

"Nee maar, niet waar, wat treffen wij daar? Een tweetal abuis wat ongewoon paar. Tig voorling van huis in verreweg laar. Vergeef mij de vraag, vergeef da'k't waag; ik hoor van U graag: wat brengt U vandaag?" Welgenoeg klonk de figuur; toch bleef diens wens zonder antwoord. Derhalve was het de tweede schim die sprak: "Excuus duizendmaal, excuus duizendmaal. Vergeef toch ons ziel dit kille onthaal. U ziet ietwat iel en niettemin vaal. Ontdoe rap Uw kiel, en sta af Uw baal." Toch kregen hun verzen van lof uit Thea geen spraak.

De maan stond sikkel die avond, en zo ook de lippen van de gestaltes, maar met het ondergaan van de zon trokken ook hun ogen tot een duisterdere toon. "O, zij het zó?" sprak de eerste weer. "Dan zij het zó." Plots voelde Thea een streling langs haar kuiten als van karige vingers ontsproten uit de grond. Dit deed haar zodanig schrikken dat zij zich terstond keerde, en terug snelde richting het Meer...

Het mocht niet baten. Alvorens Thea zich drie vadems had bewogen, ontkiemde voor haar een heuse kasteelmuur, gevlochten uit stekelige rozenbosjes die haar schreden halt toeriepen, en nog voordat de kolibri zijn wiekslag had kunnen maken waren haar enkels geketend in een net van kreupelhout. Het vijandige tweetal naderde rap. Filip vatte stout sissend en grommend post tussen haar en de belagers, maar de linkerfiguur hield zijn hand voor de snoet van de trouwe metgezel en liet hem bewusteloos vallen. De rechterfiguur griste Thea's baal op brute wijze en inspecteerde zijn buit. Zijn gezicht was verhuld in een donkermetalen helm, zag Thea nu, maar ook zonder zijn ogen te kunnen ontwaren merkte Thea zijn schrik in wat hij trof. Met luid gescheur trok hij de baal bij diens zomen aan flarden, waarmee Thea's visvangst ter aarde stortte. Hij sprak vertoornd: 'Hoe triest, hoe triest! Een crimineel zo driest... Kent u geen wroeging, gij snode, kwade vreem'ling? Gij zijt het, gij zijt het, mijn zicht bedriegt mij niet! De moordenaar, die reeds menig jaar ons overstelpt met verdriet! Het is mij nu een zeker ding, wij brengen u naar onze koning!' De geharnasde figuur omgorde Thea met een bronzen koord, en het schuurde en brandde aan haar leest. De figuur met de vreemde krachten nam Filip en de vissen in zijn armen, en zo werd het paar verder geleid, terwijl de nacht zich als deken over het bos spreidde...

Toen zij recht voor de rozenstruiken stonden spraken de figuren wat in een oude taal die Thea niet kende, en heel langzaam, alsof het uitputtende moeite koste, begonnen de struiken een opening te maken in de muur. Zij wachtten daar een tijdje, en toen de doorgang volgroeid was, gaven zij de struiken nog een twee- of drietal woorden in hun tong voordat ze de doorgang betraden. Aan de andere kant was enkel te zien wat daar voorheen ook was geweest, en Thea vroeg zich nu ongedurig af waar zij die nacht te slapen zou komen, als die luxe haar gegund was. Met die gedachte in het hoofd was het dat Thea haar blik wendde op het paar dat haar de weg leidde. De twee schenen haar nu griezeliger toe dan zij voorheen gedaan hadden. Zij zou haar blik graag snel weer afwenden, was het haar niet opgevallen dat één van de figuren een magere vinger de boomkronen in wees. Aleer de gedachte in haar op was gekomen keek zij het bladerdak in, waar de vinger had gewezen, en plots stond zij stijf van schrik. Haar gezicht werd bleek, alsof zij een honderdtal spoken zag, en voor haar part was dat ook zo. In de bomen ver boven haar was een uitbundig netwerk van bruggen tussen platvormen gespand. Om de grootste van de bomen, waarvan Thea dacht dat die de koning zou zijn geweest, was een toren gebouwd waarvoor Thea's hut een berghok moest zijn geweest...

Vele trappen klom het gezelschap omhoog. Hun wegen hingen aan touwen die een net spanden tussen de Koningsboom en al die paden en gebouwen die deze omgordden, alsof een gigantische spin een web had gewoven met touw en hout. In dat web zat Thea nu gevangen, en met elke trede voelde zij de angst in haar borst groter worden, en ze peinsde over wat haar lot zou zijn nu deze in de handen lag van deze vreemdelingen die haar met zulke smart in onbehaaglijk ontvangst hadden genomen. Het feit dat zulke wezens een samenleving hadden opgetuigt zonder dat Thea het ooit heeft mogen merken gaf haar hoofdbrekens, maar ze stopte deze gedachtes weg, aangezien deze haar niet tot hulp zouden zijn. Ze merkte na een lange tocht dat ze de kruin van het collosale natuurwerk naderde, en door het bladerdek gloeide het purperen hemelgewelf en maakte af en toe een schuwe ster zich kenbaar, om dan weer verborgen te geraken. Ze stopten bij het tegemoetkomen van twee deuren met aan elke kant een duistere wachter. De deuren reikten hoog boven Thea, en ze voelde zich bijzonder klein en buiten haar element. Nadat er zonder te spreken signalen doorgegeven leken te worden, openden de deuren zwaar kreunend voor haar en werd ze naar binnen geleid. Ze bevond zich nu in een grote hal die bladeren was gehuld, en ze zag boven haar de laatste reikende uiteinden van de gigant die haar overeind hield. Voor haar stond een troon alsof deze zich van nature uit de boom had gegroeid, met ruw hout dat opnieuw en opnieuw over zichzelf heen vouwde, met hier en daar sprietjes bladeren die uit het geheel staken. De troon zetelde een figuur, waarvoor Thea zich een man voorstelde, maar het donker maakte haar zicht onzeker. De deuren, nu achter haar, sloten met een knal, waardoor Thea's al gespannen hart een sprongetje maakte. Voor het eerst sinds haar gevangennemen verbrak nu de figuur die haar had begeleid zijn stilte: 'Uwe majesteit, hooggeëerd, hoop'lijk neemt u 't niet verkeerd, deze kleine kwestie op dit late uur; ik beloof u, het heeft geen lange duur! Wij kwamen tot een crimineel, met in haar zak een hels toneel: onze kameraden veroordeeld tot rot! Hoe spreekt u nu over haar lot?' Er viel stilte over de zaal. Na enkele momenten sprak de getroonde:

"Op het laatste kwartier van deze maan zal er afsnoering zijn. Voer dit scharminkel tot zij omvangrijk is, en gooi het dan voor het kroost. Gegroet." Met dit ontslag verlieten de wachters de zaal weer, en trokken hun gijzelaar baldadig achter zich aan. Het nog altijd geheimzinnige paar vloog behendig over de boompaden, Thea over het hout slepend. Het arme mens moest aan Filip denken. Als de boomgriezels haar al geen menselijkheid toekenden zouden enkel haar nachtmerries zeggen kunnen wat de jonge kater te wachten stond. Ook vreesde zij wat voor duistere contreien haar tot bestemming zouden zijn. Alsof de kennis van haar lot de zegel zou breken draaide zij moeizaam haar nek om te zien waar haar ontvoerders haar brachten. Voor een fractie van een tel zag zij een sterke tak groot in haar gezichtsveld, en daarna werd alles donker...

Thea ontwaakte in koud zweet. Haar lijf kermde in elke taal die het kende, maar zolang haar ogen gesloten bleven kon ze haar lotsbestemming loochenen alsof Vrouw Trui haar had bezocht. Met onmenselijke inspanning verhief ze haar oogleden en ontwaarde de nacht, en de gelukkige gedachte was voorgoed gesmoord. Of het dezelfde nacht was waar zij zulk ongeluk trof was haar niet bekend, maar de maan had zich al schaars gemaakt, waarmee de wereld in huiveringwekkende duisternis was gedompeld. Zij trachtte te staan, maar vond haar handen geboeid met eenzelfde koord dat haar middel had geschroeid, en zonder te kunnen steunen viel Thea hulpeloos om, om dan vernederd met haar gezicht op de vloer te liggen. Voor haar was een tralies als dat van een vogelkooi, en met haar val merkte ze het licht wiegen van haar cel. Ze luisterde, en in het donkere bos rond haar heersten vele nachtgeluiden, als schimmen die fluisterend smede plannen snoden. Daarnaast hoorde ze een zacht getik, als tegen glas, en met moeite draaide ze zich in een poging de bron ervan te bespeuren...

Zij zag nu dat haar cel één van vele was, gebouwd in bomen om een laar. De bomen vormden samen een menagerie die de grimmige vlakte omheinde. Van dit aanzicht gruwelde Thea, en haar benen werden er zwak van. Ze dacht weer aan Filip. Zou hij ook in een van deze kwade cellen behuisd zijn? Toen plots snapte zij waar het getik vandaan kon zijn gekomen. Het was weldegelijk glas dat haar van haar vrijheid scheidde, en in het gras voor haar stond een gestalte die haar gezichtsveld eerder was ontglopen. De figuur was niet heel anders dan zij, alleen groter, en het scheen Thea toe dat de gestalte haar had willen wekken om haar te kunnen aanschouwen. Toen dat gelukt was bood Thea spoedig geen vermaak meer, en keerde de bezoeker zich van haar af. Thea voelde de wanhoop zwaarder op haar wegen dan het gedaan had, en haar heldere gedachten verpletterden onder het gewicht. Waanzinnig begon zij haar handen om beurten tegen het glas te bonzen, wenend, alsof iemand haar dan zou komen redden...