Menu tonen/verbergen
Voorkeurenmenu omschakelen
Persoonlijk menu tonen/verbergen
Niet aangemeld
Uw IP-adres wordt openbaar zichtbaar als u wijzigingen aanbrengt.
Versie door Mipo (overleg | bijdragen) op 4 mei 2026 om 23:01
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)

Thea was een oudere vrouw die in een klein houten huisje aan de rand van het Tondelwoud woonde. Ze had niet veel tot bezit, maar ze had al wat haar dierbaar was. Het meest waardevolle van dat wat haar huis deelde was Filip. Filip was een jonge kater met vacht als grafiet. Als jong heeft Thea hem diep in het woud horen zingen en hem visjes uit het Meer gebracht. Voort aan die dag is Thea's stee hem vaak tot herberg geweest. Achtmaal per maan treedt het koppel door het woud naar het Meer aan de andere kant. Evenzoveel middagen vissen ze daar baars en spiering. Het was de voorlaatste dag eer de nieuwe maan dat Thea en Filip hun achtste tocht zouden maken. In haar reisbaal nam Thea brood en drinkwater en hengel en touw; en floot zodoende een lied.

Een half dagdeel duurde de tocht en het vissen een hele. Gaandeweg de dag verouderde ving Thea snoek en een zander en Filip een spiering. Halverwege middag en zonsondergang werd het uur te laat voor vissen en waagde het paar de wedertocht. Zo hoopten zij eer duister onthaal hun schutting te bereiken. Achtmaal per maand betrad Thea hetzelfde pad, maar voor het eerst nu in jaren had zij niet helder meer welke dit precies geweest was. Eén pad verlaatte het Meer tussen een es en een eik, twee andere lagen buur, één breed en één eng; en een vierde had haar oog nog niet eerder gevangen. Een stem in haar hoofd die zij Filip geloofde vertelde haar het nauwe pad te nemen en nemen deed zij dat pad...

Met de zon ver langs diens zenit was het woud gehuld in een gulden gloed, en ook al waren de bomen gekleurd met 's zons kwast, ook de verjaarde kijkers van Thea stellen al snel vast de voeten naar vreemd land te hebben geleid. Behalve goud kleurt terstond in de bomen ook blauw en in de verte gloort het bladerdek met een luister purper. Filips staart hing tussen zijn poten en hij jammerde angstig, en hoewel Thea plachtte Filips raad te volgen bleef zij zonder angst doorhobbelen. Ook zijzelf kon niet onderscheiden of het door de bovennatuurlijke schoonheid van het schouwspel voor haar was, of door de lokroep van die natuur die haar geweten overtoepte. Lopen deed zij tot bij het aanzicht van een vorm in de verte. Bij verder naderen aanschouwde zij twee figuren van gelijke snit, midden op het pad stonden zij ruggelings. Terwijl om haar heen vage vormen tussen de bomen in de lucht gloeiden sprak de linker tot haar:

"Nee maar, niet waar, wat treffen wij daar? Een tweetal abuis wat ongewoon paar. Tig voorling van huis in verreweg laar. Vergeef mij de vraag, vergeef da'k't waag, ik hoor van U graag; wat brengt U vandaag?" Welgenoeg klonk de figuur, toch bleef diens wens zonder antwoord. Derhalve was het de tweede schim die sprak: "Excuus duizendmaal, excuus duizendmaal. Vergeef toch ons ziel dit kille onthaal. U ziet ietwat iel en niettemin vaal. Ontdoe rap Uw kiel en sta af Uw baal." Toch kregen hun verzen van lof uit Thea geen spraak...