Er was eens een jongeling, op weg naar de zon,
overal waar hij ging, waren wegen krom.
Een tocht door vallei, naar heuvelen hoog,
werd hij plotseling blij, en voorover zich boog.
Een roos uit de grond, eenzaam en vrij,
zoals ze daar stond, verliefd toen werd hij.
Een jongen, een roos, op weg naar de zon,
eer na een poos, de roos spreken kon.
"Ge hebt mij geplukt, nu ben ik verloren,
mijn steel losgerukt, zo was'k niet geboren.
Warm is je hand, maar hard is mijn steel,
ga naar mijn land, dan worden we heel."
Zo trok een jongeling, naar het land van de maan,
en moest waar hij ging, in de aarde gaan staan.
Langzaam veranderde hij, in een roos van kop tot teen,
jubelend van vreugd hij zei, "nu is geen van ons alleen."
Maar de roos die was geroofd, en in zijn hart bewaard,
was nu bleek en uitgedroogd, lag teer verwelkt ter aard.
De maan zond hem de regen, die van zijn blaad'ren vloeide,
hij huilde afgelegen, terwijl zijn stengel groeide.
Er was eens een roos, op een lange weg naar de zon,
wachtend al een poos, tot eens iemand hem plukken kon.