‘t was in het zachte licht van een mistige morgen dat heer Martin-Maarten Vernietiger der Werelden van z’n welverdiende jasmijnthee dronk. Tevree en bedaard was hij betreffend de prestaties die nacht. Man noch vrouw zou doorstaan wat onnatuur hij doorstond, voor louter zijn kracht en ongekende moed…
Doch door de mist vruchtbaar in het wanzicht van glorie scheen een koud verlies uit de hemelen, diep door die spier die Martin-Maarten zo krampachtig onttoonde. Het gemis van z’n waarde vriend heer Snertiel O. Neërwaal, wiens verhouding tot Martin-Maarten louter kamaraadschap altijd ver overtrof. ‘t Was of hemel gelijk voelde die vorst des verdriets. Voor zij scheen kleurvloed door morgenmist mocht het de teistering ter Aarde ontsmetten...