De Ridder

Uit De FNM-wiki
Versie door Mipo (overleg | bijdragen) op 11 jan 2026 om 14:54
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

‘t was in het zachte licht van een mistige morgen dat heer Mordimaart de Vernietiger der Werelden van z’n welverdiende jasmijnthee dronk. Tevree en bedaard was hij betreffend de prestaties die nacht. Man noch vrouw zou doorstaan wat onnatuur hij doorstond, voor louter zijn kracht en ongekende moed…

Doch door de mist vruchtbaar in het wanzicht van glorie scheen een koud verlies uit de hemelen, diep door die spier die Mordimaart zo krampachtig onttoonde. Het gemis van z’n waarde vriend heer Snertiel O. Neërwaal, wiens verhouding tot Mordimaart louter kamaraadschap altijd ver overtrof. ‘t Was of hemel gelijk voelde die vorst des verdriets. Voor zij scheen kleurvloed door morgenmist mocht het de teistering ter Aarde ontsmetten...

't Was op dat moment dat misère haar vonnis uitsprak om deugeloos de geest van Mordimaart, die het tragisch begaf onder de druk van haar klaagzang, te doen kwijnen. Glorie noch welvaart was in zijn hart die morgen, voor wee 'n pek bezaten de contouren van z'n holst. Hij herinnerde zich hoe heer Snertiel en hij de dame Von Grafheuvel en de koningin van Giradel het hof maakten. In de loop van deze vertwiste tragedie (later het 'ongeval van multidimensionaal wereldverval' genaamd (waarin Mordimaart een nihil, toch geheide rol speelde...)) zijn deze hoogst geprezen en schone dames tot hun vroegtijdige eind gekomen. De rouw die volgde was grotendeels verzacht door de troost van zijn onmisbare vriend heer Snertiel O. Neërwaal. 't Was zo dat zijn huidig verdriet des te droeviger ontbloeide...

't Was tussen twee slokken thee dat heden helderheid voor de ridder verlichtte dat het de magere zeismeester was die zich het grootste kwaad bewees in het verhaal van Mordimaart. Zo besloot de dappere Vernietiger zijn lot en stapte z'n laarzen leder in de moerasgrond neder. Mordimaart zou het opnemen tegen dit kwaad van ouds en zijn wraak vinden daar. Zeker als het opkomen van de zon wist Mordimaart dat hij klaar was om zijn ware epos te ontvangen. Slechts één ding; de staat van z'n oorlogstuig laat een boel te wensen en zal versterking eisen eer de slag geschiedt...

Juist. Waardig had 't zich bewezen. Z'n mechanisch' strijdmaat in tijden waar nood was hoog, doorstond sneeuw en regen. 'Droger der Haar van 't Nevelland te Kaatsheuvel, vervlochten in de kunde van Heer Tijwen de Staalvaardige, had hem wel b'diend. Desalniettemin, oh, 't hulsel dat de winden hield en deed spreken in richtingen doelloos was geniepig ontschakeld naar verlangen van de zeismeester, boosdoenend als hij was. Geen kans daar tegen die zeis, kwaad van aard. Nu, gezelloos, in misère en beperking lag meer niet dan één pad voor hem...

Zo gezegd, zo begon de odyssee der odyssees. Allicht, de gevreesde cidieur zál vijgen deze laffe behoje eer zijn doem feit is! En zij het zo, eer z'n ros 't woord kreeg 't ware teken van haast te tonen vonden zij zich voor de befaamde wapenmeester's gildehuis...

"Dank aan u, Shaduwvos," sprak Mordimaart tot z'n waarde metgezel toen hij hem voor dat gildehuis van Heer Tijwen de Staalvaardige ontzadelde. De komst van heer Mordimaart was lang verwacht en werd omarmd door de ouderling. Zo, in de poort des deurs stond hij: "Jong is 'dag niet, oh ridder in verdriet, te vragen om steun van hij die ziet. 'k Zag de hemelen op, deze morgen. Zo ook uw volgende stop, die'k zal helpen te verzorgen. Nu voort met die droger verborgen." Wat Mordimaart hoorde maakte hem erg bij, maar 't lukte niet op een reactie te komen in metrum of rijm. Dan maar in doodse stilte vormde Tijwen een vernieuwd Kaatsheuvels object, onder hymnes van dagen oud. Na een poos sprak Tijwen elegant: "Hier is het wapen geheel volgens verzoek, zo luidt diens nieuwe naam nu: 'Woerdvloek'. Ga nu, voltooi uw nobele doelen. Hier moogt gij immer welkom voelen." En zo, haast magisch van tong, sprak Mordimaart alsof hij zong: "Aju, paraplu," en trok zo ginder, z'n queeste vervolgde zonder enige hinder...