De Aardappeleters: verschil tussen versies

Uit De FNM-wiki
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Daafje (overleg | bijdragen)
Geen bewerkingssamenvatting
Mipo (overleg | bijdragen)
Geen bewerkingssamenvatting
Regel 28: Regel 28:
Te wagen trok het gezelschap ginder over heide en zegge; en zij deelden nog menig hymne. Eén was er die niet zong. Sjef dunkte zich bepaald de vrijer, maar die nacht was er van hof geen sprake. Zij was prooi en hij was op jacht; en van jagen kreeg hij honger...
Te wagen trok het gezelschap ginder over heide en zegge; en zij deelden nog menig hymne. Eén was er die niet zong. Sjef dunkte zich bepaald de vrijer, maar die nacht was er van hof geen sprake. Zij was prooi en hij was op jacht; en van jagen kreeg hij honger...


O arme ziel, verschalkt in uw stoffen kerker, ge dunkt zeker uw einde ophande zijnde. Welke sterfelijke zou ook ooit in tweedracht met de zetmeligen kunnen zegevieren? Het lot zal niettemin in haar weefsel van de tijd geen steken laten vallen, en altijd zal ze doorweven. Het lot weet dan ook, dat ergens in de smartende woestenij die ons thuis vormt, zich een rechtschapen hart zich zal doen verrijzen, met een als gevolg een wending in de geschiedenis die zijn weerga niet kent. O vrouwe Fortuna, moge u nog met genegenheid het nageslacht toezien van de zielen die in dit verhaal zich verstouten voor een rooskleurige verschiet. Over één van die zielen zal dit verhaal zijn vervolg kennen.
O arme ziel, verschalkt in uw stoffen kerker, ge dunkt zeker uw einde ophande zijnde. Welke sterfelijke zou ook ooit in tweedracht met de zetmeligen kunnen zegevieren? Het lot zal niettemin in haar weefsel van de tijd geen steken laten vallen, en altijd zal ze doorweven. Het lot weet dan ook, dat ergens in de smartende woestenij die ons thuis vormt, zich een rechtschapen hart zal doen verrijzen, met als gevolg een wending in de geschiedenis die zijn weerga niet kent. O vrouwe Fortuna, moge u nog met genegenheid het nageslacht toezien van de zielen die in dit verhaal zich verstouten voor een rooskleurige verschiet. Over één van die zielen zal dit verhaal zijn vervolg kennen.


In een veld staat een man met een schep in hand. Zijn tranenlaten is verhult door de meedogenloze regen die ruim drie nachten hemel en aarde vult. Het is hem om het even; er is niemand die zijn tranen zou merken, ook als is het de zonnigste der hondsdagen: Zijn laatste bloedverwant ligt onschouwend in de grond aan zijn voeten, een schamel kruis steekt als laatste eerbetoon uit de rulle grond. Zijn stamhuis is door de jaren heen gekweld door bandieten en ziekte, en stuk voor stuk zouden zijn naasten het noodlot kennen, en hij zou als laatste overblijven. Hij had gedacht zijn tranen lang geleden te hebben verloren, en toch nemen steeds nieuwe de plaats van de oude, en ook nu vermengen zij met hun soortgenoten die van de engelen vallen. Met stramme schreden keert hij zich, maar staat dan bewegingloos. Hij zou willen toornen tegen het bittere lot dat hem bestemd lijkt, maar het verlies en de wanhoop ontberen hem van al zijn wilskracht. Wanneer hij zijn laagste punt bereikt verschijnt in een plas voor hem een geriatrische vrouw. Hij deinst terug van de schrik, en de vrouw spreekt tot hem deze volgende woorden:
In een veld staat een man met een schep in hand. Zijn tranenlaten is verhult door de meedogenloze regen die ruim drie nachten hemel en aarde vult. Het is hem om het even; er is niemand die zijn tranen zou merken, ook al is het de zonnigste der hondsdagen: Zijn laatste bloedverwant ligt onschouwend in de grond aan zijn voeten, een schamel kruis steekt als laatste eerbetoon uit de rulle grond. Zijn stamhuis is door de jaren heen gekweld door bandieten en ziekte, en stuk voor stuk zouden zijn naasten het noodlot kennen, en hij zou als laatste overblijven. Hij had gedacht zijn tranen lang geleden te hebben verloren, en toch nemen steeds nieuwe de plaats van de oude, en ook nu vermengen zij met hun soortgenoten die van de engelen vallen. Met stramme schreden keert hij zich, maar staat dan bewegingloos. Hij zou willen toornen tegen het bittere lot dat hem bestemd lijkt, maar het verlies en de wanhoop ontberen hem van al zijn wilskracht. Wanneer hij zijn laagste punt bereikt verschijnt in een plas voor hem een geriatrische vrouw. Hij deinst terug van de schrik, en de vrouw spreekt tot hem deze volgende woorden:
 
"Mijn meelij is de uwe, heer weduwnaar. Wij beiden zijn takken aan éénzelfde wilg. Takken waar de kraaien van Hades in broedden. Maar behoudt toch dat de zomer kroost brengt; en als het kroost is gevlogen, zal dit water ons takken niet loos zijn, maar zal het ons doen groeien tot de holtes vullen en wij weer heel zijn." De weduwnaar bedaart als sneeuw in een storm en weent: "Huigelaar! Wat weet een wilg van een es? Wat weet een graftak van hoe diep een roede reikt? Spreek met mij niet tak-tot-tak als wij aan andere kronen hangen." "Een woord kan een tak niet deren, heer weduwnaar," zegt de vrouw, "als zij gesproken is in pretentie. Tracht niet het bos te ontwijken enkel omdat zij donker is, maar laat je  ogen eens wennen aan het duister..."

Versie van 6 mei 2026 22:57

Een surrealistische weergave van de Aardappeleters door Gincent van Voch voor hij aan macro pointillisme begon.

Op nachten lang gelee, in een duisterder eeuw, vertelde zich een nu lang vergeten verhaal. Het verhaal was dat van de Aardappeleters. Welbekend was het, in menig huishouw en rond elk midnachtvuur onder de rivier. Die eeuw zonder zon kende een midwinternacht zo zwart dat pek er wit bij was. Het was in het holst van die nacht dat ieders hart op de tast naar wat warmte trachtte. Zo is het dat de hal van de Verteller zich vulde die nacht. Elk oor onder de rivier was daar om naar de Verteller te luisteren. Toen de menigte huiverend een stilte liet vallen, rezen de eerste magische woorden:

'Er is slechts één verschil tussen mens en god in deze wereld, en dat is dat de mens offert. Wanneer de zon haar stralen dooft in het westen, zo hernieuwt zij deze in het oosten. Wanneer de boer zijn gras maait, zo ontspringt het opnieuw in de lente. De sterren in het hemelgewelf fonkelen sinds de schepping, en tot ver na de dood van ons kinders kinderen zullen zij zich niet verroeren. Zo is het de mens niet gegund. Honger, koude, ziekte; de natuur is een kille gastvrouwe. Staat een moeder bij kinds wieg, snel al staat het kind bij haar graf. Deze tweespalt tussen dood en leven woekert sinds de eersten van onze voorvaderen hun ploegen te velde brachten, en de grond waar wij over lopen is overgoten met hun tranen en klaagzang. Waar de mens zijn vernuft en welwillendheid inzet voor het geluk van hemzelf en zijn medemens, daar floreert hij, maar de beesten van de wereld laten zich niet zo gemakkelijk de pas afsnijden.

Het verhaal wat ik u nu zal vertellen gaat over het grootste ras booswichten dat Gaia's smidse ooit het leven heeft ingeblazen, één wiens naam mij nog steeds de haren overeind laat staan. Dit verhaal begon op een donkere winternacht, één niet heel anders dan deze...

Hoe in het zuiden de Bokkenrijders vrijbuitten zo waren dat hier de Aardappeleters. Lage mispunten waren het allen, maar geen was vilein als Sjef Pieper. Zusterzoon was hij van de markgraaf boven de rivier en betucht bovenal. De nacht van Sjef's verjaring in het tiende jaar van de krekel is de winternacht waarvan ik sprak. Een nacht die men voort nog al als zwartnacht kent. Gaia heeft sinds drie gros zonnewendes geteld en geen zwart als die, tot zij vandaag weer midwinter ziet. De nacht begon als elke bij het afscheid van de zon. De Aardappeleters rookten pijp onder de oude treurwilg op de heuvel. Zo deden zij dat vaak. Toch was toendernacht hen ongelijk alle andere. In alle manen aan ondeugd hadden ze weelde ontmoet. Maar het is een onverzadigbare rijkdom en zij hunkeren immer naar meer. Om Sjef's verjaring te vieren zou de bende tot het huis van gouverneur afdalen en nemen wat los of vast zit. Wat echter geenieder wist was dat de jonge Sjef oog had voor de dochter van de oude rijkaard en hij zou niet hebben dat daar zulk onheil zou vallen. Sjef had groters voor ogen...

Bij het gloren van de wassende maan bereikten Sjef en de zijnen het onderkomen van de gouverneur. De vraag was niet of ze zijn huurlingen zouden overmeesteren, maar slechts hoe rap. Terwijl op de benedenverdiepingen Sjefs kornuiten botvierden, sloop hij in allerijl naar het vertrek van de schone jonkvrouw. Ongezien en ongemerkt zou hij zijn daad verrichten. Toen hij het portaal passeerde, zag hij de radeloze jongedame turende uit haar venster. Snel al keek zij op, haar ogen rood van afschuw en paniek, en in de kamer hing de geur van pure angst. 'Scheert u weg, bolrug! Dat door uw onbegrensde verderfelijkheid zelfs de eeuwige inferno u en uw trawanten weigert, geeft geen recht uw rancune als onkruid over de wereld te zaaien! Als u weet wat goed voor u is, dan verlaat u deze contreien terstond en keert u nimmer weder, of u zult de gevolgen kennen.' De gouverneursdochter bleef volhardend staan, oog in oog met de belager, maar ze beefde merkbaar. 'Goede vrouwe, verspil niet uw adem zo. Uw bewakers zijn dood of stervende en uw vader is menig mijl van u verwijderd. En dan nog, u heeft niks te vrezen. Ik verschijn hier voor u om u een groot plezier te doen.' 'Met vals voorwendsel zult u mij niet winnen, ellendige lendeloze! Wilt u mij plezieren, verschaf mij dan een zweerd, opdat ik nog de adellijke dood mag sterven. Ik zal immers nooit mij vrijwillig tot u begeven!' 'Vermetel wijf, uw honen wekt in mij geen deernis. Als dit uw keus is, leef dan met de consequenties. Weet dat het niet de mijne is.' Met die woorden sprintte hij tot de jonkvrouwe, die nog een laatste schreeuw de ether in wierp, en hij sloeg met zijn knuppel de jonkvrouw bewusteloos. Vervolgens omwond hij het corpus in een exotisch wandkleed, en verdween hij met zijn buit uit de kamer...

Onderaan de wentelaar trof Sjef zijn gezelschap. Buiten maakten hemeltranen het laagland tot broek en binnen brandde vagevuur uit de haard in de zitkamer. De wagen die voor het pand had gestaan was beladen met goud en juweel; en van de gastheer was geen spoor te bekennen. Sjef de Mottigaard plaatste het mompelende kleed tussen de schatten van weleer en sprak tot zijn geslacht: 'Er is goed gedaan vannacht. Waar bollebofs rijk zijn in dukaat en daalder zijn zij arm in maagschap. Laat de duiten zijn waar genootschap is en laat lopen de goudvinken.' Driemaal hoezee klonk het, gevolgd door luidskeelse zang:

Hoezee voor onze Sjef

had iedereen zijn lef

dan waren wij allen koningen

maar hij nog steeds de chef

Hoe doet 'ie het zo

didelido

hoezee voor onze Sjef!

Te wagen trok het gezelschap ginder over heide en zegge; en zij deelden nog menig hymne. Eén was er die niet zong. Sjef dunkte zich bepaald de vrijer, maar die nacht was er van hof geen sprake. Zij was prooi en hij was op jacht; en van jagen kreeg hij honger...

O arme ziel, verschalkt in uw stoffen kerker, ge dunkt zeker uw einde ophande zijnde. Welke sterfelijke zou ook ooit in tweedracht met de zetmeligen kunnen zegevieren? Het lot zal niettemin in haar weefsel van de tijd geen steken laten vallen, en altijd zal ze doorweven. Het lot weet dan ook, dat ergens in de smartende woestenij die ons thuis vormt, zich een rechtschapen hart zal doen verrijzen, met als gevolg een wending in de geschiedenis die zijn weerga niet kent. O vrouwe Fortuna, moge u nog met genegenheid het nageslacht toezien van de zielen die in dit verhaal zich verstouten voor een rooskleurige verschiet. Over één van die zielen zal dit verhaal zijn vervolg kennen.

In een veld staat een man met een schep in hand. Zijn tranenlaten is verhult door de meedogenloze regen die ruim drie nachten hemel en aarde vult. Het is hem om het even; er is niemand die zijn tranen zou merken, ook al is het de zonnigste der hondsdagen: Zijn laatste bloedverwant ligt onschouwend in de grond aan zijn voeten, een schamel kruis steekt als laatste eerbetoon uit de rulle grond. Zijn stamhuis is door de jaren heen gekweld door bandieten en ziekte, en stuk voor stuk zouden zijn naasten het noodlot kennen, en hij zou als laatste overblijven. Hij had gedacht zijn tranen lang geleden te hebben verloren, en toch nemen steeds nieuwe de plaats van de oude, en ook nu vermengen zij met hun soortgenoten die van de engelen vallen. Met stramme schreden keert hij zich, maar staat dan bewegingloos. Hij zou willen toornen tegen het bittere lot dat hem bestemd lijkt, maar het verlies en de wanhoop ontberen hem van al zijn wilskracht. Wanneer hij zijn laagste punt bereikt verschijnt in een plas voor hem een geriatrische vrouw. Hij deinst terug van de schrik, en de vrouw spreekt tot hem deze volgende woorden:

"Mijn meelij is de uwe, heer weduwnaar. Wij beiden zijn takken aan éénzelfde wilg. Takken waar de kraaien van Hades in broedden. Maar behoudt toch dat de zomer kroost brengt; en als het kroost is gevlogen, zal dit water ons takken niet loos zijn, maar zal het ons doen groeien tot de holtes vullen en wij weer heel zijn." De weduwnaar bedaart als sneeuw in een storm en weent: "Huigelaar! Wat weet een wilg van een es? Wat weet een graftak van hoe diep een roede reikt? Spreek met mij niet tak-tot-tak als wij aan andere kronen hangen." "Een woord kan een tak niet deren, heer weduwnaar," zegt de vrouw, "als zij gesproken is in pretentie. Tracht niet het bos te ontwijken enkel omdat zij donker is, maar laat je ogen eens wennen aan het duister..."