De Aardappeleters

Op nachten lang gelee, in een duisterder eeuw, vertelde zich een nu lang vergeten verhaal. Het verhaal was dat van de Aardappeleters. Welbekend was het, in menig huishouw en rond elk midnachtvuur onder de rivier. Die eeuw zonder zon kende een midwinternacht zo zwart dat pek er wit bij was. Het was in het holst van die nacht dat ieders hart op de tast naar wat warmte trachtte. Zo is het dat de hal van de Verteller zich vulde die nacht. Elk oor onder de rivier was daar om naar de Verteller te luisteren. Toen de menigte huiverend een stilte liet vallen, rezen de eerste magische woorden:
'Er is slechts één verschil tussen mens en god in deze wereld, en dat is dat de mens offert. Wanneer de zon haar stralen dooft in het westen, zo hernieuwt zij deze in het oosten. Wanneer de boer zijn gras maait, zo ontspringt het opnieuw in de lente. De sterren in het hemelgewelf fonkelen sinds de schepping, en tot ver na de dood van ons kinders kinderen zullen zij zich niet verroeren. Zo is het de mens niet gegund. Honger, koude, ziekte; de natuur is een kille gastvrouwe. Staat een moeder bij kinds wieg, snel al staat het kind bij haar graf. Deze tweespalt tussen dood en leven woekert sinds de eersten van onze voorvaderen hun ploegen te velde brachten, en de grond waar wij over lopen is overgoten met hun tranen en klaagzang. Waar de mens zijn vernuft en welwillendheid inzet voor het geluk van hemzelf en zijn medemens, daar floreert hij, maar de beesten van de wereld laten zich niet zo gemakkelijk de pas afsnijden.
Het verhaal wat ik u nu zal vertellen gaat over het grootste ras booswichten dat Gaia's smidse ooit het leven heeft ingeblazen, één wiens naam mij nog steeds de haren overeind laat staan. Dit verhaal begon op een donkere winternacht, één niet heel anders dan deze...
Hoe in het zuiden de Bokkenrijders vrijbuitten zo waren dat hier de Aardappeleters. Lage mispunten waren het allen, maar geen was vilein als Sjef Pieper. Zusterzoon was hij van de markgraaf boven de rivier en betucht bovenal. De nacht van Sjef's verjaring in het tiende jaar van de krekel is de winternacht waarvan ik sprak. Een nacht die men voort nog al als zwartnacht kent. Gaia heeft sinds drie gros zonnewendes geteld en geen zwart als die, tot zij vandaag weer midwinter ziet. De nacht begon als elke bij het afscheid van de zon. De Aardappeleters rookten pijp onder de oude treurwilg op de heuvel. Zo deden zij dat vaak. Toch was toendernacht hen ongelijk alle andere. In alle manen aan ondeugd hadden ze weelde ontmoet. Maar het is een onverzadigbare rijkdom en zij hunkeren immer naar meer. Om Sjef's verjaring te vieren zou de bende tot het huis van gouverneur afdalen en nemen wat los of vast zit. Wat echter geenieder wist was dat de jonge Sjef oog had voor de dochter van de oude rijkaard en hij zou niet hebben dat daar zulk onheil zou vallen. Sjef had groters voor ogen...
Bij het gloren van de wasende maan bereikten Sjef en de zijnen het onderkomen van de gouverneur. De vraag was niet of ze zijn huurlingen zouden overmeesteren, maar slechts hoe rap. Terwijl op de benedenverdiepingen Sjefs kornuiten botvierden, sloop hij in allerijl naar het vertrek van de schone jonkvrouw. Ongezien en ongemerkt zou hij zijn daad verrichten. Toen hij het portaal passeerde, zag hij de radeloze jongedame turend uit haar venster. Snel al keek zij op, haar ogen rood van afschuw en paniek, en in de kamer hing de geur van pure angst. 'Scheert u weg, bolrug! Dat door uw onbegrensde verderfelijkheid zelfs de eeuwige inferno u weigert, geeft geen recht uw rancune als onkruid over de wereld te zaaien! Als u weet wat goed voor u is, dan verlaat u deze contreien terstond en keert u nimmer weder, of ken de gevolgen.' De gouverneursdochter blijft volhardend staan, oog in oog met de belager, maar ze beeft merkbaar. 'Goede vrouwe, verspil niet uw adem zo. Uw bewakers zijn dood of stervende en uw vader menig mijl van u verwijderd. En dan nog, u heeft niks te vrezen. Ik verschijn hier voor u om u een groot plezier te doen.' 'Met vals voorwendsel zult u mij niet winnen, ellendige lendeloze! Wilt u mij plezieren, verschaf mij dan een zweerd, opdat ik nog voor de adellijke dood mag sterven. Ik zal immers nooit mij vrijwillig tot u begeven!' 'Vermetel wijf, uw honen inspireert in mij geen deernis. Als dit uw keus is, leef dan met de consequenties. Weet dat het niet de mijne is.' Met die woorden sprintte hij tot de jonkvrouwe, die nog een laatste schreeuw de ether in werpt, en hij slaat met zijn knuppel de jonkvrouw bewusteloos. Vervolgens omwindt hij het corpus in een exotisch wandkleed, en verdwijnt hij met zijn buit uit de kamer.