De Aardappeleters

Op nachten lang gelee, in een duisterder eeuw, vertelde zich een nu lang vergeten verhaal. Het verhaal was dat van de Aardappeleters. Welbekend was het, in menig huishouw en rond elk midnachtvuur onder de rivier. Die eeuw zonder zon kende een midwinternacht zo zwart dat pek er wit bij was. Het was in het holst van die nacht dat ieders hart op de tast naar wat warmte trachtte. Zo is het dat de hal van de Verteller zich vulde die nacht. Elk oor onder de rivier was daar om naar de Verteller te luisteren. Toen de menigte huiverend een stilte liet vallen, rezen de eerste magische woorden:
'Er is slechts één verschil tussen mens en god in deze wereld, en dat is dat de mens offert. Wanneer de zon haar stralen dooft in het westen, zo hernieuwt zij deze in het westen. Wanneer de boer zijn gras maait, zo ontspringt het opnieuw in de lente. De sterren in het hemelgewelf fonkelen sinds de schepping, en tot ver na de dood van ons kinders kinderen zullen zij zich niet verroeren. Zo is het de mens niet gegund. Honger, koude, ziekte; de natuur is een kille gastvrouwe. Staat een moeder bij kinds wieg, snel al staat het kind bij haar graf. Deze tweespalt tussen dood en leven woekert sinds de eersten van onze voorvaderen hun ploegen te velde brachten, en de grond waar wij over lopen is overgoten met hun tranen en klaagzang. Waar de mens zijn vernuft en welwillendheid inzet voor het geluk van hemzelf en zijn medemens, daar floreert hij, maar de beesten van de wereld laten zich niet zo gemakkelijk de pas afsnijden.
Het verhaal wat ik u nu zal vertellen gaat over de grootste booswicht die Gaia's smidse ooit het leven heeft ingeblazen, één wiens naam mij nog steeds de haren overeind laten staan. Dat verhaal begon op donkere winternacht, niet heel anders dan deze...